Interview Hilde Blank, bouwmeester AM: “Door de schalen en door de sectoren heen”

Hilde Blank is als stadsstedenbouwer van de gemeente Leiden en bouwmeester bij een project- en gebiedsontwikkelaar een kameleon die zich weet in te leven in alle spelers binnen de gebiedsontwikkeling. De samenhang tussen beleid, onderzoek en ontwerp loopt als rode draad door haar carrière. Ze raadt iedereen aan zich altijd te blijven verdiepen in de verschillende partijen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van gebieden. “Het werkveld en de manier van doorgronden van de opgave is niet veranderd, maar het type opgaven waar wij mee te maken krijgen wel.” Rooilijn ging met haar in gesprek over haar visie op het vak en welke ervaring zij heeft opgedaan in haar rol als bouwmeester van AM.

Geboren in Leiden en opgegroeid in Twente belandde Hilde in Delft om bouwkunde te studeren, gedreven door haar vroege fascinatie voor de wereld om haar heen en hoe je daar invloed op kunt uitoefenen. Toen ze haar studie had afgerond, begon haar carrière als onderzoeker bij de Universiteit Utrecht, daarna bij de Gemeente Delft en de Gemeente Eindhoven, waar ze al voor haar dertigste hoofd stedenbouw werd. Na een paar jaar in Amerika te hebben gewoond kwam ze terug naar Nederland om het ruimtelijke adviesbureau BVR in Rotterdam over te nemen. Vijftien jaar later bekleedt ze daarnaast vele functies, onder andere als voorzitter van de Van Eesteren-Fluck en Van Lohuizen Stichting (EFL), lid van het begeleidingscollege van het Planbureau voor de Leefomgeving en lid van de Raad van Toezicht van Mobile Arts. Haar werk als strategisch stedenbouwer kenmerkt zich door een brede blik op de wereld, het verbinden van mensen en het zich verdiepen in verschillende contexten.

Haar werkzaamheden variëren van het opstellen van integrale regionale toekomstvisies tot het bedenken van betekenisvolle plekken in stad − dwars door schalen en sectoren heen − waarbij de context en de samenhang voorop staan; “Ik ben eigenlijk enorm slecht in het
verkavelen vanuit een programma van eisen en een vastomlijnde locatie.”

Toen je BVR overnam ben je eerst aan de slag gegaan met uitbreiding van het bureau met meer ontwerpers. Al snel kreeg je door het type opdrachten dat je deed het petje ‘ruimtelijke kwaliteit’ op. Is dat ook wat je het leukste vindt?

“Ja, dat past uitstekend bij mijn manier van werken: het verbinden van beleid, ontwerp en politiek en het doen van toekomstgericht ontwerpend onderzoek. Eén van de leukste projecten die ik heb gedaan is Zeeland 2040. Vanuit scenario’s en debatten haalden we bouwstenen op om tot een verhaal voor Zeeland te komen waarmee Statenleden het debat konden aangaan over actuele opgaven. Partijen meenemen en anders laten kijken naar hun eigen gebied, het denken vanuit kansen en het slim combineren van opgaven is typerend voor het werk van BVR.

De rol van een adviseur ruimtelijke kwaliteit is hoofdzakelijk om een strategische visie op een opgave te formuleren en vervolgens te bewaken dat deze ook zo gerealiseerd wordt. Je onderzoekt de dynamiek van een gebied en bedenkt een nieuw toekomstperspectief vanuit de opgaves die op een gebied af komen. In bijvoorbeeld ateliers en debatten en door ontwerpend onderzoek werk je vervolgens aan een uitwerking van de ambities. Nu als bouwmeester bij ontwikkelaar AM. ben ik ook meer bezig met het waken over de kwaliteit en hoe we als ontwikkelaar in nieuwe opgaven moeten staan, juist in een tijd  waarin de overheid zich steeds meer terugtrekt. Ik houd me bezig met de vraag of we ook waarmaken wat we in tenders beloven en wat en wie we nodig hebben om de ambities te kunnen vervullen. Dat zetten we vervolgens om in een duidelijk verhaal met diezelfde ambities. Ik ben ook bouwmeester bij de gemeente Leiden. Nu we  met veel projecten bezig zijn en we tegelijkertijd meer ruimte geven aan de markt, is het nodig dat iemand meekijkt of de optelsom  van al die projecten wel leidt tot de stad die je wilt realiseren. Dat sluit mooi aan bij de omgevingsvisie die de stad maakt. De centrale vraag is eigenlijk: wat voor stad wil je zijn en hoe doe je dat samen met met de omgeving, initiatiefnemers en stakeholders?”

Vind je dat het werkveld in de afgelopen twintig jaar veel veranderd is?

“Het is altijd al zo geweest dat de maatschappelijke ontwikkelingen de ontwerpopgaven veranderen. Wat je wel ziet is dat de partijen met wie ik aan tafel zit niet meer de geijkte partijen zijn van vroeger. Naast de ontwikkelaars, bouwers, corporaties en de maatschappelijke organisaties, spreek ik tegenwoordig ook meer creatievelingen, huisartsen, waterschappen of nutsbedrijven over thema’s zoals gezondheid, rainproof en energie. Ook zijn ondernemers maatschappelijk meer geëngageerd en houden zich meer bezig met thema’s zoals duurzaamheid. De manier van doorgronden van de opgave is niet veranderd, maar het type kennis, de partijen aan tafel en wat bijvoorbeeld technologisch mogelijk is wel.”

Is ook de rol van de ontwerper veranderd?

“De rol van de ontwerper verandert continu. In mijn begintijd was de rol van de stedenbouwer meer om plannen uit te tekenen. Nu zie je weer een beweging waarbij de rol van de ontwerper is om kansen te verkennen. Het ontwerp is daarbij een manier om het gesprek vorm te geven. Je kunt als ontwerper namelijk dingen weg laten en je kunt dingen juist laten zien. Daardoor kun je betekenis geven aan plekken en een verhaal overbrengen. Technologisch is nu zoveel mogelijk. Door een project helemaal in 3D uit te werken kun je direct zien waar technische fouten zitten en er virtueel door heen lopen om te zien wat wel en niet zal werken in de praktijk. Van mijn tijd in Amerika heb ik geleerd dat de programmatische invulling belangrijk is. Een kwaliteitsteam in Amerika houdt zich naast de ruimtelijke kwaliteit ook veel bezig met de kwaliteit van het voorzieningenprogramma. De grote vraag wat mij betreft is: wie voelt zich nou echt verbonden met een plek? Ik heb gezien dat daar steeds meer aandacht voor komt. Het programma is de basis voor een betekenisvolle plek waar mensen zichzelf kunnen ontwikkelen en waar mensen het gevoel hebben dat ze invloed kunnen uitoefenen en hun fantasie kunnen gebruiken. Laatst bespraken we dit inzicht met een omgevingspsycholoog. Mensen houden van ruige natuur en rafelrandjes en niet dat alles bedacht is. Daarom zijn tijdelijke placemaking-projecten op onverwachtse plekken ook zo aantrekkelijk.

Voor ruimtelijke projecten betekent dit dat ook ruimte wordt ingebouwd voor aanpasbaarheid. Zijn er plekken die door de tijd heen een andere invulling kunnen krijgen? Dit geeft eigenheid aan een gebied. Het verschilt ook per plek welke aanpak het beste past.Voor het ene gebied is het prima een goed ontwerp te maken en mooie huizen neer te zetten en is participatie minder nodig. In een ander gebied kan die ruimtelijke inpassing juist heel belangrijk zijn. Als ontwerper is het essentieel de buurt goed te leren kennen en er onderdeel van te worden. Een plek kan juist heel lokaal, maar ook heel internationaal verbonden zijn. Als ontwerper stel je jezelf de vraag: wat doet iets met een omgeving? Een bepaalde ingreep kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een plek minder geïsoleerd komt te liggen. De bestaande kenmerken en mensen in een gebied kun je gebruiken voor je ontwerp.Ik zou het ontzettend interessant vinden als overheden in tenders marktpartijen uitdagen om iets te vinden van de bredere omgeving van een kavel om er een betekenisvolle plek van te maken. Overheden en marktpartijen zouden op deze manier meer samen kunnen optrekken in wat bijvoorbeeld de openbare ruimte of de infrastructuur nodig heeft. We hoeven dit soort collectieve voorzieningen niet puur als het domein van de overheid te beschouwen.”

Gebeurt het vaak dat projecten worden stopgezet doordat een gebrek aan politiek draagvlak bestaat?

“ Ik heb door de tijd wel gezien dat ideeën waar ik zelf erg achter stond toch niet werden uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat er op dat moment geen politiek draagvlak voorwas. Op de korte termijn is dat natuurlijk jammer, wantje hebt er toch hard aan gewerkt en bent overtuigd dat het een goede ontwikkeling is. Toch zie je dat die projecten soms na een paar jaar weer de kop opsteken. Als ontwerper heb je dan wel tot denken aangezet. Het doel is nooit alleen om hetgeen je bedenkt of maakt ook precies zo uitte voeren. Het is ook heel belangrijk om mensen aan te zetten tot denken en het maken van keuzes.”

Heb je het idee dat de overheid nu meer open staat voor samenwerking?

“Er zijn wel goede voorbeelden van projecten waarin overheid en private partijen echt met elkaar samenwerken,maar ik denk dat generiek de beeldvorming over en weer nog wel stereotiep is. Als ik aan een ontwikkelingstafel zit en de overheid heeft in een nota van uitgangspunten alle eisen tot in detail uitgewerkt, dan stel ik wel de vraag wat nou de echte doelen zijn in plaats van al in oplossingen te denken. Aan de marktpartijen leg ik uit waarom bepaalde eisen zijn gesteld vanuit het perspectief van de overheid.
Als zij dit beter begrijpen dan kunnen ze makkelijker denken in oplossingen en alternatieven. Ik probeer dit uit te leggen in
debatten, lezingen of interviews.”

Je bent in je werk ook bezig met nadenken over de inclusieve stad. Waarom vind je dit nu een belangrijk thema?

“Toen ik begon als bouwmeester bij AM dacht ik na over wat mijn periode zou kenmerken en waar ik aan wilde werken. Ik heb een aversie
tegen zo maar bouwen in het weiland. De binnenstedelijke opgave is nu groot. Veel overheden willen die inclusieve stad, maar je ziet dat met de enorme druk op de woningmarkt een aantal functies uit de stad worden verdreven. Veel werkgebieden worden woongebieden. Veel gemeenten zijn goed in projecten, maar ze vergeten het ‘stadmaken’. Wat een inclusieve stad is, is nog best moeilijk te definiëren. Ik organiseerde een workshop met dit thema en dat werd enorm breed. Toen heb ik Architectuur Lokaal gevraagd om een prijsvraag te organiseren: ‘Am I Included?’.

Doel was om op te halen wat nodig is om aan een inclusieve stad te werken. Het bleek belangrijk om de lokale context te leren kennen. Participatie is iets heel anders dan echt kunnen duiden wat een plek nodig heeft. Ook partijen die met elkaar een project doen, moeten elkaar echt leren kennen. Wanneer je twee partijen direct aan een onderhandelingstafel zet, zullen ze het over aantallen en geld hebben. Als zij elkaar en elkaars netwerk leren kennen, dan voeren ze een heel ander gesprek. Bijvoorbeeld, ze komen erachter dat ze eenzelfde (maatschappelijke) passie ergens voor hebben. Bij AM zeg ik ook graag dat collega’s hun stropdas thuis moeten laten. Op die manier probeer ik de beeldvorming te doorbreken en uit te vinden wat nou eigenlijk echt de doelen zijn, ook als deze doelen zijn dat geld verdiend moet worden om andere doelen mogelijk te maken.”

Hoe kunnen we met de stapeling van eisen voor duurzaamheid, kwaliteit en betaalbaarheid nog bepalen wat prioriteit moet krijgen?

“Het maken van keuzes is een vraagstuk van deze tijd. Met alle eisen die tegenwoordig in tenders worden gesteld, zal je financieel nooit uitkomen. Dan wordt hoogbouw bijvoorbeeld alleen toegestaan als er ook een ‘verticaal bos’ komt. Dat is duur en bovendien moeilijk te onderhouden. Voor een deel is het bepalen van locatiedoelen een politieke keuze, maar ook typisch iets wat je uit een participatietraject kunt halen. Naast de belangrijkste doelen is het dan mooi meegenomen als je randzaken ook kunt realiseren. Laat ook ruimte aan anderen om met oplossingen te komen. Om een voorbeeld te geven: laatst hadden we bij een tender een heel mobiliteitsconcept uitgedacht, waarbij het autogebruik werd ontmoedigd door het op afstand te plaatsen van de eigen woning en andere vormen van mobiliteit aan te bieden. Vlak voor de indiening kwamen er aangescherpte eisen van de gemeente en kregen we te horen dat parkeren binnen een straal van zoveel meter binnen de woning moest worden opgelost. Als je daar niet aan voldeed, dan scoorde je daar geen punten op en wordt het moeilijk om de tender te winnen. De oplossing die we hadden bedacht, was daarmee meteen van de baan. Dat zie ik ook als een mooie kans van de Omgevingswet. Naast minder regeldruk en meer integraal werken, dient een Omgevingsvisie met name om doelen te formuleren. De oplossingen mogen ook van anderen komen. Dan kom je misschien ook wel tot verrassende inzichten. Als ik nu al zie wat allemaal technologisch mogelijk is, dat is echt waanzinnig.”

Vind je dan dat de overheid soms te veel op de stoel van de ontwerper gaat zitten?

“Ik vind dat de overheid op die stoel moet gaan zitten en moet doordenken om te weten wat zij vraagt. Vervolgens moet je weer abstraheren. De gemeente moet ontwerpend onderzoek doen en aan de hand daarvan prioriteiten stellen. Je bent hiermee een betere gesprekspartner voor de partij die het uiteindelijk gaat uitvoeren. De gemeente houdt uiteindelijk de samenhang en de verbinding in de gaten.”

Hoe krijg je circulariteit nou zo snel mogelijk van de grond?

“Circulariteit en verbinding van stromen zitten eigenlijk op een wat hoger schaalniveau. Als je het hebt over circulair bouwen, dan dan gaat het al snel over materialenpaspoorten en de toepassing van circulaire materialen. Leuk is ook dat modulair bouwen ineens weer terugkomt. We moeten ook materialen niet van ver halen, dat betekent dat we rekening moeten houden met meer ruimte voor opslag en productie. Het denken moet nog wel omgezet en opgeschaald worden. Het betekent daarnaast een herwaardering van bedrijventerreinen die de nieuwe maakindustrie ruimte geven. Een nieuwe ruimtevraag is aan het ontstaan. Het Rijk kan hier door voorbeeldprojecten te starten, ook een mooie rol in spelen, net zoals zij dit ook hebben gedaan met ov-knooppunten. Met circulariteit is de uitdaging hoe je de technologische ontwikkelingen onderdeel kunt maken van de stad. Iedereen zit nogal in zijn eigen niche.”

Op welke manier ben je nog bezig met wetenschap?

“De ontwikkelingen die ik tegen kom in mijn werk breng ik graag naar een academisch niveau met mijn werk voor de EFL-stichting. De Van Eesteren leerstoel is daarbij een directe verbinding met de wetenschap. Ik ben nu volop bezig om onderzoek gefinancierd door de
stichting een breder podium te geven en de kennis beter te verspreiden. Bij BVR hebben we ook altijd stagiairs om jonge mensen een kans te geven maar ook om van hen te leren. Het is belangrijk om kennis te delen maar ook om kennis op te doen”.

Wat zou je jonge vakgenoten mee willen geven?

“Ik merk dat jonge mensen vaak vergeten om door de schalen heen te kijken. Jonge mensen zijn vaak echte ontwerp-ontwerpers. Ze hebben wat minder notie van de omgeving. Ik vind het moeilijk om jonge mensen te vinden met die brede blik en nieuwsgierigheid. Het is een waanzinnig mooi vak om op een liefdevolle en open manier met je omgeving bezig te zijn. Dat zou je ook de boventoon moeten laten voeren. Lef, overtuigingskracht en enthousiasme zijn belangrijk. Een project dat in de prullenbak belandt, is niet meteen mislukt. En als je jong bent moet je lekker veel verschillende ervaring opdoen, want het op onderzoek uitgaan is belangrijk.”

Deze publicatie verscheen eerder in Rooilijn. Jg. 52 / Nr. 2 / 2019.

AM - Inspiring Space Inspiring Space
Regulated by RICS
AM is onderdeel van Koninklijke BAM Groep NV © AM 2019